In de vinexwijk van de dood

We rijden het centrum van Rome uit. Het laatste gebouw dat ik nog herken is een groot opvangcentrum voor vluchtelingen, waar ik vorig jaar was. Een paar mannen hangen verveeld voor de ingang. Het is benauwd in de stad. Morgen wordt onweer verwacht.

De bus slaat een brede straat in. Ik kijk naar de chauffeur. Hij transpireert en zoekt zo te zien naar herkenningspunten. Zou hij hier überhaupt ooit wel een keer geweest zijn? Of beeld ik me dit allemaal in? Boven ons trekt de lucht steeds verder dicht. Uiteindelijk stoppen we bij een kerk.

Op de gevel staan de namen van Marcellinus en Petrus, twee martelaren uit de vierde eeuw. Voor hen zijn we gekomen. Onder keizer Diocletianus (244-311) zijn ze in Rome de marteldood gestorven en hier begraven, in de later naar hen genoemde catacomben. Eindeloze graftunnels onder de Romeinse grond. Vinexwijken van de dood.

De ingang van de catacomben moet ergens achter de kerk zijn. Maar helaas, daar is niet zoveel: het is een slecht onderhouden terrein met nogal wat modern zwerfvuil. Niets wijst erop dat hier onder de grond ooit vijftienduizend mensen begraven lagen. Wel staat er een Mariabeeld. Eindelijk iets vertrouwds. In de verte komt een oudere man aanlopen met een hoed op en een onooglijke driekwartsbroek aan. Wat komt hij hier doen?

Daar is onze gids. Ze heeft het vuur van de martelaren in zich en spreekt het Engels van de eerste christenen. Of we meteen mee willen komen, er is maar weinig tijd.

Voor ik het weet, verdwijnen we in een donkere gang en dalen via een vast heel oude trap af naar de ondergrondse dodenstad. Het is er koud en vochtig. Linksaf en rechtsaf gaat het door de slecht verlichte tunnels. Om ons heen honderden lege graven. Maar juist door die enorme leegte lijken de doden meer aanwezig dan ooit. Door er niet te zijn, ben je er des te meer. Onbereikbaar nabij, net als de schrijver die er ook niet meer is.

Ik moet doorlopen, anders raak ik de anderen kwijt. In de verte hoor ik de gids. Ze blijkt in een grafkamer te staan en legt eeuwenoude fresco's uit. Kleine figuren in witte toga's die me nog het meest aan Aart Staartjes en 'Woord voor woord' doen denken. Jona in de walvis, een feestmaal bij het graf van een martelaar en - hoor ik dit wel goed? - Jesus without the beer. O nee, ze bedoelt natuurlijk beard. En ze praat maar door. Over Petrus en over Marcellinus en dat hun beenderen hier niet meer zijn, maar in de negende eeuw naar Duitsland zijn getransporteerd. Dus de naamgevers van dit krankzinnige gangenstelsel zijn hier ook niet meer. Het wordt steeds voller om me heen met al die afwezigen.

Dan valt het licht uit en staan we in het donker. Mag ik alsjeblieft weg uit deze loodzware leegte?

Als we elkaar weer kunnen zien loopt de gids verder. En weer gaat het over Marcellinus en zijn leerling Petrus (nee, een andere dan u denkt). Hoe ze eerst hun eigen graf moesten graven van hun beulen en daarna werden onthoofd. Waarom hebben hun namen zeventien eeuwen van chaos en afbraak overleefd en blijven de moderne christelijke martelaren voor ons zo anoniem? Duizenden keren géén naam. Vroeger een witte toga, nu een oranje pak. Vroeger het circus, nu een Libisch strand. Misschien moeten we maar weer catacomben gaan bouwen.

We lopen naar de uitgang. Ik blijf staan bij een klein gat in een muur. Dit moet het graf van een kind zijn geweest. Als ik opkijk, ben ik de groep kwijt. Ik weet niet waar ik heen moet. Op goed geluk sla ik rechtsaf en bots bijna tegen iemand op met een zaklantaarn. Het is de man met de hoed en de onooglijke driekwartsbroek. Ik ben gered. Als ik het daglicht weer zie, voel ik mij als Jona na drie dagen in de walvis.

Ik schrijf dit een week later in het laatste Romeinse licht. Dit was het, meer dag krijgen we vandaag niet. En daar is-ie weer, de schrijver die er zo verschrikkelijk niet meer is. Hij liet mij zien dat ik voor alles moet schrijven. Om dingen te zien die anderen niet zien. Om iets van het leven - dat machtige, enige leven - te kunnen begrijpen.

Totdat het leven ophoudt en we terugvloeien in, zoals de schrijver schreef, kijkend naar een schilderij, 'het witste wit...eeuwige verlichting. Nirwana'.

 

Deze column verscheen erder in Trouw van 12 september 2015. 

 
 

Agenda

De nieuwe paus

'Habemus papam!' schalde er op 13 maart over het majestueuze Sint-Pietersplein in Rome. Paus Franciscus is zijn naam, maar wat weten we nu eigenlijk over de nieuwe opvolger van Petrus?

Lees meer..
Vaticaan op YouTube