Ik zie de zusters denken: wat doet die man hier?

In hun klooster vlak achter de Utrechtse Bijenkorf wachten zesentwintig Augustinessen van Sint-Monica nu al twee weken op de geboorte van de Verlosser. Als ik aanbel duurt het even voordat er opengedaan wordt. De dienstdoende zuster reageert een beetje verbaasd op mijn vraag of ik de mis van vijf uur mag bijwonen. ‘Natuurlijk, komt u binnen’, zegt ze snel. Ze leidt me naar een moderne kapel met geriefelijke stoelen. Ik krijg een zangbundel en een klein papiertje waarop de gezangen van de dag vermeld staan. Het ruikt naar de misboekjes uit mijn jeugd.

Tegenover mij zitten de zusters. Ze zien er allemaal hetzelfde uit. Dan bedoel ik niet dat ze allen hetzelfde habijt dragen (zwart met groene accenten) . Nee, het zijn allemaal oudere dames, met wit haar en een stevige bril op de neus. Ik moet denken aan de meisjes uit het hockeyteam van mijn dochter. Zeventig jaar jonger weliswaar, maar die lijken ook zo op elkaar met hun blonde vlechten.

De priester die de mis doet, is ook de jongste niet meer. ‘Goedemiddag zusters’, zegt hij als hij achter de altaartafel plaatsneemt. ‘Goedemiddag’, zeggen de zusters terug. Dan ziet hij mij. ‘Oh,  en goedemiddag mijnheer.’ Ik voel me een indringer. Je ziet die schattige zusters denken: wat doet die man hier eigenlijk.

Die man stond vorige week voor het graf van de heilige Monica (333-387),  naar wie deze congregatie vernoemd is. Zij is de moeder van kerkvader Augustinus (354-430). Over haar schreef priester en kunsthistoricus Frits van de Meer in zijn vermaarde ‘Augustinus de zielzorger’ een nogal lange maar o zo schitterende  zin:  ‘Die haar zoon, ofschoon hij haar ontliep, over land en zee achtervolgde, maar toen zij eindelijk, men weet niet hoe , na het gesprek te Ostia voor de tweede maal de zekerheid had verkregen dat hij niet verloren zou gaan, in den vreemde ziek geworden, en eerst zesenvijftig jaar oud, plotseling meende: wat doe ik nog hier?’  Ik weet het: een lange aanloop, maar de beloning wacht op je aan het einde van de zin, die ene vraag.

Ik kijk de zusters in de ogen. Zouden zij dat ook wel eens denken: wat doe ik nog hier?’  Vijftig, zestig jaar werken op straat onder kwetsbare mensen en dan zien dat het ene na het andere klooster van je congregatie dicht gaat. Het werk doorgegeven aan leken en zelf steeds meer gebonden aan dat klooster midden in die drukke stad waar het licht van Kerstmis, waar zij geduldig op wachten, al volop brandt.

Maar dan gaan de zusters zingen. De stemmen kraken en het orgel klinkt nog maar zacht, maar de boodschap is vitaal. ‘Nu daagt het in het oosten, het licht schijnt overal: 
Hij komt de volken troosten, die eeuwig heersen zal. 
De duisternis gaat wijken van d’ eeuwenlange nacht, 
Een nieuwe dag gaat prijken, met ongekende pracht. Zij, die gebonden zaten, in schaduw van de dood, van God en mens verlaten, begroeten ‘t morgenrood.’

Die woorden blijven nog een tijdje in mijn hoofd rondzingen. De zusters, Monica en Augustinus laten mij niet los. Ik vind een preek van Augustinus waarin hij spreekt over de betekenis van het kerstfeest. ‘Het is een geboortedag. Van wie? Van de Heer. Heeft Hij dan een geboortedag? Ja, die heeft Hij. Het Woord in het begin, God bij God, heeft een geboortedag? Ja! Als Hij geen menselijke geboorte zou hebben, dan zou het buiten ons bereik liggen in God herboren te worden. Hij is geboren opdat wij opnieuw geboren zouden worden. (...) Laat daarom Christus’ barmhartigheid in onze harten gestalte krijgen. Zijn moeder droeg Hem in haar schoot, laten wij Hem in ons hart dragen.’

Ook ik heet Augustinus. Bijna negenenveertig jaar geleden kreeg ik die naam van mijn ouders bij mijn doop. Onlangs las ik voor het eerst een gedicht  dat Frits van der Meer, die de naam Augustinus met instemming moet hebben begroet, bij die gelegenheid voor mij schreef: ‘In water licht en Geest/ aanstonds herboren/ heb jij van ’s Heren feest/ geen dag verloren.’

Er ging een lichte schok door mij heen toen ik de datering zag: 20 februari 1966, mijn geboortedag. Vandaar dat ‘geen dag verloren’. Ik wist tot nu toe niet beter dat ik pas op 27 april, twee maanden na mijn premature geboorte ben gedoopt. Ben ik dan toch al even uit de couveuse gehaald om mij met wijwater te besprenkelen? Uit voorzorg?

Ik wil me niet groter voordoen dan ik ben, maar toen ik die dichtregels las was het inderdaad alsof ik opnieuw ter wereld kwam.

 

Verscheen eerder in Trouw van 13 december.

            

 
 

Agenda

De nieuwe paus

'Habemus papam!' schalde er op 13 maart over het majestueuze Sint-Pietersplein in Rome. Paus Franciscus is zijn naam, maar wat weten we nu eigenlijk over de nieuwe opvolger van Petrus?

Lees meer..
Vaticaan op YouTube